|
stories

|
|
|
|
Boodschappenlijstje:
dynamiet, coca, 96 procent alcohol
Potosi. De hoogste stad ter
wereld. Dat betekent dat hier de hoogste kathedraal staat, het hoogste
internetcafé in een stad, het hoogste hotel in een stad etc. Ze
zijn er nogal trots op. Potosi is vooral een stad van vergane glorie.
In de koloniale tijd was Potosi een van de rijkste steden ter wereld en
dit allemaal dankzij een berg, de Cerro Rico. De Cerro Rico was niet het
eldorado waar de Spanjaarden naar op zoek waren, dat is namelijk de stad
van goud. De Cerro Rico zat vol met zilver. In de berg zijn aders gevonden
van zo´n twee, drie meter dik, vol met puur zilver. Onmiddelijk
zijn de Spanjaarden dan ook begonnen met het exploiteren van de berg en
dit leidde tot ongekende rijkdom, voornamelijk voor de Spanjaarden natuurlijk.
Er wordt gezegd dat met al het zilver dat uit de Cerro Rico is gehaald,
een brug van puur zilver van hier tot Spanje gebouwd had kunnen worden!
In ploegdiensten van zes maanden
(ja, dat lees je goed), verbleven zwarte en inheemse slaven onder de grond
om het zilver naar boven te halen. Zo´n acht miljoen arbeiders zijn
daar omgekomen, van mercurievergifting, instortingen of gewoon van het
zware werk. Inmiddels is er niet veel veranderd en omdat dit Bolivia is
en hier alles kan, konden wij dit persoonlijk aanschouwen tijdens een
zeer memorabel bezoek aan de mijnen.
Gehuld in mijnwerkerskledij
(laarzen, helm met lamp, gave gele overall) gingen we eerst boodschappen
doen. We werden geacht wat cadeautjes te kopen voor de mijnwerkers. Zij
krijgen graag dynamiet (ze moeten namelijk al hun werkbenodigdheden zelf
betalen) of gewoon wat cocabladeren en voor de nodige ontspanning wat
drank. Dit zijn echter geen mietjes zoals wij, ze drinken pure alcohol,
96 procent alcohol welteverstaan!
De mijnen zien er uit zoals ik had verwacht: gestucte smalle gangetjes
waar rails in ligt. Af en toe moet je snel een veilige plek zoeken, want
dan komt het karretje langs dat geduwd en getrokken wordt door de mijnwerkers.
Onze gids, Pedro (de leukste van allemaal!) was zelf een mijnwerker, van
zijn tiende (een normale leeftijd om te beginnen) tot zijn vijftiende
werkte hij zes dagen per week in de mijn met zijn vader.
Onderweg (veel bukken en kruipen) deelden we de lunchpauze met twee arbeiders.
Die dag deden zij een shift van 15 uur. Onder de grond eten ze niet vanwege
de giftige gassen. Om hun honger te onderdrukken en om het zware werk
vol te kunnen houden eten ze cocabladeren. Alsof het borrelnootjes (mmmn)
zijn, zitten ze als een gek de bladeren in hun mond te stoppen. Sigaretje
erbij en de door ons geschonken alcohol ging er ook goed in. Eerst maken
ze een offer aan Pachamama (Moeder Aarde) door wat alcohol op de grond
te druppelen. Dan zetten ze de plastic fles firm aan de mond en zuipen
maar!
Ondertussen gingen wij verder naar beneden, wederom bukkend en kruipend
en wegduikend voor de wagentjes. We werden al lekker vies. Vanwege de
hoogte en de niet zo frisse lucht, heb je veel moeite met ademen. Om de
vijf minuten uitrusten dus. Pedro vertelde hoe de mijnwerkers zonder moderne
technologie de mineralen uit de berg halen. Met dynamiet wordt een stuk
opgeblazen. Dan wordt er wat gehakt en de werkers lopen danwel kruipen
met 30 tot 50 kilo op hun rug naar het het karretje. Dat wordt dan geduwd
en getrokken naar het punt waar het omhoog gehesen wordt. Het karretje
wordt omgekieperd en de stenen worden in een zak geschept door een andere
werker. De zak wordt dan omhoog geheisd en daar begint het verhaal weer
opnieuw, tot uiteindelijk een karretje bij de uitgang op het hoogste niveau
is. Er zijn zes niveaus! Al het zilver is inmiddels uit de mijn en nu
zijn ze vooral op zoek naar zink, lood en tin. De mijnwerkers werken zes
dagen per week en verdienen tussen de 300 en 600 Boliviano´s per
maand (tussen de $50 en $100), een redelijk loon hier. Omdat de mijnen
cooperaties zijn en de mijnwerkers alles zelf betalen en alleen uitbetaald
krijgen aan de hand van de opbrengst, is het allemaal erg kortetermijndenken.
Geen veiligheidsmaatregelen, geen investeringen in gezondheidszorg of
betere werkmiddelen. In 300 jaar is er niet veel veranderd.
Hoewel ik het erg gezellig vond in de mijnen, telkens stoppen en een beetje
babbelen, was ik toch blij toen we weer omhoog mochten. Onderweg kwamen
we een paar werkers tegen die nauwelijks meer uit hun ogen konden kijken,
laat staan lopen. 96 procent tikt toch wel aan! Al eeuwen lang aanbidden
de werkers ´El Tio´ (de oom), oftewel de duivel. Toen de Spanjaarden
kwamen, probeerden zij natuurlijk het katholieke geloof te verspreiden.
Ze vertelden over de hemel en de hel en de mijnwerkers konden niet anders
dan concluderen dat zij werkten in de hel. Zoals ze Pachamama, Jesus en
de oh-zo-heilige Maagd aanbidden, zo vinden ze dat je ook de duivel moet
aanbidden als je je op zijn terrein begeeft. Aan het begin van de mijn
staat een beeld van El Tio, compleet met erecte penis en geniepige glimlach
en iedere vrijdag drinken ze gezellig met hun oom een glaasje terwijl
ze cocabladeren kauwen. Een aantal keer per jaar vereist oomlief bloed
en om te voorkomen dat de mijnwerkers zelf moeten sterven, offeren ze
een lama en smeren het bloed in de mijn. Hmmm...
Eenmaal weer buiten lieten we allemaal de oude droom mijnwerker te worden
varen en maakten we ons klaar voor de demonstratie ´Hoe laat ik
dynamiet exploderen´. Pedro werd bijzonder goed geassisteerd door
de lieftallige Jeroen (daar is ´ie weer! het vriendje is maandag
aangekomen... dikke vette jay!) die het dynamiet mocht ontsteken. Na een
geweldige explosie werden wij gringo´s weer teruggeladen in de bus,
einde uitstapje!
Tot slot nog een korte vermelding
van een ander bizar uitstapje. In de buurt van Sucre staat een cementfabriek.
Tijdens het opblazen van verschillende lagen steen, ontdekten de arbeiders
in 1995 rare sporen op de muur. Er bleek een patroon in te zitten en na
deskundig advies bleken dit dinosaurusvoetstappen te zijn. Over elkaar
schuivende aardplaten zo veel miljoen jaar geledeen hebben er toe geleid
dat wat eerst tropische grond was, nu rechtopstaand steen is (ik snap
er niets van, maar ik heb dan ook nooit goed opgelet met aardrijkskunde).
Hoe dan ook, omdat dit Bolivia is en er geen geld of interesse is, wordt
er niets gedaan om de site te bestuderen of zelfs maar te behouden. De
explosies gaan gewoon door en de cementfabriek draait op volle toeren.
Tijdens de lunchpauzes mogen toeristen komen kijken, eventueel zelf wat
steen van de muur pulken en verwonderd kijken naar de verschillende lagen.
Wij hadden geluk, een explosie van vorige maand had een nieuwe laag blootgelegd
waarop nog coolere voetstappen te zien zijn. Omdat wat eerst horizontaal
was, nu verticaal is, is het veel makkelijker foto´s te maken (je
hoeft geen vliegtuig te huren), maar het is maar de vraag hoe lang je
dit nog kan doen. Er is een miljoen dollar nodig om de cementfabriek weg
te jagen en de site te behouden, maar helaas had geen van de backpackers
dat bij zich...
|
|
|
|